Materialen

MATERIALEN VOOR AMBTENAREN, GEMEENTEWERKERS EN SCHOONMAAKSTERS

Wie vandaag op het gemeentehuis komt, vele lampen ziet branden, de warmte van de radiatoren voelt, de vloerbedekking ziet, de typemachines hoort ratelen, de stencilmachine ziet draaien, het copieerapparaat hoort zoemen en het personeel op draaistoelen en achter prachtige bureaus ziet zitten, mag wel met weemoed, – maar kan beter niet – verlangen naar vervlogen tijden, toen er gewerkt moest worden met de meest primitieve middelen. En wie verder de gemeentewerkers ziet op hun trekkers en aanhangers, in hun van alle gemakken voorziene werkplaats, op hun snelle maaimachines, overdekt zelfs en met geluiddempers op hun oren, kan ook maar beter niet terugdenken aan de tijd, toen de grind per kruiwagen werd vervoerd en er dagelijks met de schop moest worden gewerkt.

DE EERSTE VULPEN

Al vanaf de Franse tijd werd er een verzameling uitgegeven op wetten en voorschriften n.l. de Luttenbergse Chronologische verzameling, welke dienstig was als naslagwerk. Omdat op ieder centje moest worden gelet, deed de voorzitter aan de gemeenteraad op 25 november 1915 het voorstel met het oog op de kosten in verband met het geringe nut het abonnement daarop te doen ophouden. Er was een ‘ampele bespreking’ voor nodig om aldus met algemene stemmen te besluiten. Maar hetzelfde agendapunt 5 van die vergadering hield weer een uitgaaf in, die er niet om loog! De voorzitter bepleitte het nut van een vulpenhouder en met algemene stemmen werd besloten tot de aanschaf ervan. Waar de raad zich al niet mee moest bemoeien! Het ontbreekt er alleen nog maar aan, dat de pen niet eerst op proef moest worden genomen of tweedehands gekocht! Wie de pen moest of mocht bedienen en of er ook een potje vulpeninkt bij werd gekocht, vermelden de stukken niet en naar de nota is geen speurwerk meer verricht. Gezegd moet echter worden, dat het schrijfwerk er niet op vooruit is gegaan. De inkt kwam wel dikker uit de vulpen vloeien dan uit een kroontjespen, maar het sierlijke van het handschrift is er grotendeels mee verloren gegaan. Het snelschrijven ging boven het schoonschrijven.

SCHRIJFMACHINE EN STENCILMACHINE

De eerste schrijfmachine, een tweedehands Remmington, verscheen in 1934 en werd drie weken op proef geleverd. De machine beviel goed en er werd door de raad op 18 juli besloten tot aankoop voor f 95,- met een schriftelijke garantie van drie jaar van een firma uit Den Bosch. De toenmalige sekretaris, Leonard van den Heuvel, had het heel handig ingekleed om de zuinige raadsleden, die tegen bijna iedere vernieuwing waren, over te halen met de koop in te stemmen. Hij had voor ieder raadslid enkele velletjes bloknoot papier in de linkerbovenhoek laten typen met hun naam en adres en daarbij gezegd hoe mooi en gewichtig het stond als men als raadslid ergens een brief naar toe stuurde met deze kop er boven. Het zou ook iets zijn voor zakenlieden, die hun notablokjes bij een drukker lieten drukken. Ze zouden heel wat kunnen besparen als ze zelf zo’n typemachine hadden. Ook een argument was het typen in zelfs vijf- of zesvoud met gebruikmaking van carbon, waarmee ook de aanschaf van een doos carbon zonder meer werd aanvaard. Een van de raadsleden sprak zelfs van een tovermachine en toverpapier, waardoor de pen en de inkt overbodig waren geworden. Op 26 juni 1936 deelde de Burgemeester echter al in de vergadering van Burgemeester en Wethouders mede, dat de machine verreweg versleten was. De garantiegever werd niet aangesproken, omdat de Nijmeegse Kantoorboekhandel Leenders een aanbod deed om een nieuwe machine te leveren voor f 135,- en nog f 60,- terug te geven voor de oude machine. Zijn tweede aanbod was een nieuwe schrijfmachine en een stencilmachine te leveren als de gemeente er f 110,- voor betaalde en de oude machine inleverde en dat werd aanvaard zonder dat de raad er aan te pas kwam.

Op 9 december 1938 kwam de huur of koop van een tweede schrijfmachine aan de orde. Het oude geschreven bevolkingsregister moest worden vervangen door persoonskaarten en dat moest gebeuren met een schrijfmachine. Maar dat niet alleen, de schrijfmachine mocht geen pica- of andere kleine letter hebben, maar een normale letter en daar was de aanwezige Underwoodmachine ongeschikt voor. Diezelfde firma had natuurlijk wel machines met een grotere letter en deed een aanbod van huur of van koop. Het was zelfs mogelijk een tweedehands machine te huren, maar die zou de eerste maand f 12,50 kosten, de tweede f 10,- en iedere volgende maand f 7,50. Verwacht werd, dat voor het typen van de kaarten 4 à 5 maanden nodig zouden zijn en dan zou de machine al ruim f 40,- aan huur kos¬ten. Daarom stelde de voorzitter voor liever een machine te kopen, want en daar kwam het zakelijke vernuft om de hoek kijken – deze zou in de toekomst toch nodig zijn voor de administratie van de werkverschaffing en de steunverlening en de kosten daarvan konden dan mooi worden geraamd op de begroting der inrich¬ting van het aan te bouwen lokaal voor werkverschaffing en steunverlening. De raad vond het best, want wat had die raad achter de hand? De kosten konden voor een groot gedeelte bij het Rijk worden gedeclareerd en zo kon de gemeente aan een goedkope machine komen. De machine kwam er, de persoonskaarten ook, maar niet de uitbreiding met een lokaal voor werkverschaffing en steunverlening. De oorlog stak er een stokje voor. Eind 1962 verscheen de eerste boekhoudmachine en in 1968 een copieermachine. De eerste electrische schrijfmachine werd begin 1970 aangeschaft. We sparen de moeite het tegenwoordige machinepark te beschrijven, want de computer heeft het mensdom in zijn greep.

GEMEENTEWERKERS

De gemeentewerkers, die veelal het buitengebeuren voor hun rekening nemen, zijn niet meer voor te stellen zonder trekker en motormaaier. De werkzaamheden zijn ook van heel andere aard en met het fietskarretje, dat vroeger werd gebruikt, is niets meer te beginnen. Ook de opslagruimte is aangepast, want v66r de oorlog was er alleen een kleine ruimte achter de brandweergarage en die moest ook nog dienst doen als kolenopslagplaats.

Links: Kobus van der Wielen
Midden: Gemeentewerkplaats aan de Batavierenweg te Hernen
Rechts: Hendrik van de Gheijn

De schop, de hark en de riek en ook de kruiwagen konden de mannen van de straat wel thuis opbergen. In Hernen deed zelfs een oud schuurtje van de gemeentewerker Kobus van der Wielen dienst als opslag en die kon daardoor zijn salaris opgevoerd zien met f 100,- per jaar. Toen Nol Schreven zijn huis met schuur en grond aan de gemeente verkocht om daar de Eikenweg aan te leggen en er woningen op te bouwen omstreeks 1968, kon de gemeente de schuur in gebruik nemen. In Bergharen werd een oplossing gevonden door de aankoop van de bakkerij en meelopslagruimte van Wim Burgers aan de Molenweg, hoek Elzendweg in 1971, toen ook de brandweer daar een onderdak kreeg.

Gemeentewerkplaats hoek Elzendweg – Molenweg Bergharen.

In die tijd verscheen ook de eerste vrachtwagen, die na een paar jaar te licht bleek, waarna een zwaardere werd aangeschaft om ook het sneeuwruimen gedeeltelijk in eigen handen te kunnen houden. Tenslotte wonnen de trekkers het van de vrachtwagens. Die waren ook voor het sneeuwruimen beter wendbaar en bij de aanschaf werd niet op een paar PK gekeken. Voor het maaien van sportvelden werd een kleinere trekker aangeschaft en thans is er een wagenpark om U tegen te zeggen. Zeker geschikt om nog vele jaren te benutten voor onderhoud van wegen en sportvelden, voor sneeuw- en gladheidsbestrijding enz, in de ‘oude gemeente Bergharen’.

Het tijdperk van de vrachtwagen.

Dan is er in 1976 op een terrein nabij de Molenweg in Bergharen een werkplaats gebouwd om eveneens U tegen te zeggen. Alle machines kunnen er in opgeborgen worden, er is een zoutopslag, een werkplaats met alle mogelijke gereedschappen, een cantine en een grote zolder. Er is een ruim terrein rond omheen, waar men allerhande wegenbouwmaterialen kwijt kan. Waar zelfs een papier- en glascontainer staan en tijdelijk is een loods gebouwd voor opslag van motorcrossmaterialen.

De nieuwe gemeentewerkplaats met H. Rosmalen, C. Reijers, B. Zoetekouw, G. Bulkens en burgemeester van Schaik.

GLADHEIDSBESTRIJDING EN SNEEUWRUIMEN

Er is nog één punt bij Gemeentewerken, dat vermeld dient te worden: de gladheidsbestrijding en het sneeuwruimen. Een sneeuwslee was er voor de oorlog al en aanvankelijk werd die door scherp gezette paarden getrokken. Een zwaardere slee kwam er toen plaatselijke expediteurs zoals Wijtmans in Hemen en Schonenberg en Toonen Dekkers in Bergharen die achter hun vrachtwagen of trekker konden hangen en tenslotte zelfs vóór op hun vehikel bouwden. Op dat gebied heeft de gemeente zelf voorzieningen getroffen. Ook wat betreft het zand en zout strooien zijn de materialen nagenoeg optimaal en het mag gezegd worden, dat de uitvoering er van al jarenlang een voorbeeld is geweest voor de hele streek. De wekkers bij de gemeentewerkers worden gezet om ‘s nachts al te controleren of gladheid of sneeuw dreigen en dan wordt in alle vroegte uitgerukt, voordat het verkeer op gang komt. Dan kan er in korte tijd een groot aantal kilometers worden afgelegd, omdat er geen last wordt ondervonden van het andere verkeer. Sneeuw op gestrooid zout smelt snel weg en dat bespaart tijd, hetgeen weer betekent, dat er in de loop van de dag minder behoeft te worden uitgerukt. De hoofdwegen worden eerst genomen en tot nog toe lukte het steeds ook de bebouwde kom zoveel mogelijk sneeuw- en ijsvrij te maken. Situaties, zoals we hier hebben gekend in 1963 toen de gemeente op de meeste plaatsen door hoge sneeuwwallen was afgesloten van de buitenwereld, hebben we sindsdien niet meer gekend. In 1963 moest de burgemeester via de radio een beroep doen op de bevolking om met schoppen een bres te slaan in de opgehoopte sneeuw en ook dat lukte. Nu zijn de materialen van dergelijke aard, dat die het wel aan kunnen en in korte tijd een einde zullen maken aan een dergelijke calamiteit. En wat de gemeente niet aan zou kunnen, dat kunnen tegenwoordig al heel veel bedrijven opvangen. Bergharen, Hernen en Leur dragen nu ongeveer 70 kilometers voor het verkeer opengestelde wegen over. Er zal naarstig naar wegen moeten worden gezocht om de vele wegen bij alle bezuinigingen niet weg te laten kwijnen, want wegen zijn niet meer weg te denken.

De sneeuwheuvels op de hoek Stompendijk – Diepestraat – Dorpsstraat in Hernen in 1963.

SCHOONMAKEN

Ook het schoonmaken van het gemeentehuis was een werk op zich. Geen dagtaak, dat niet, maar wel dagelijks werk. Stoffer en blik en stofdoek, bezem en schrobber, ragebol, zeem en emmer waren zo ongeveer de attributen, die voor het werk beschikbaar waren voor de oorlog. Van schoonmaakster Grada van Hout is al bekend, dat zij in 1913 f 35,- per jaar ontving en toen moeder van Heumen-van Haaf en kort daarop haar dochter Riekske de werkzaamheden in de twintiger, dertiger en veertiger jaren uitvoerden, steeg het bedrag wel, maar nog in de oorlog werd er voor f 80,- per jaar gewerkt. Daarvoor moest ‘s avonds na sekretarietijd het gemeentehuis schoon gemaakt en in de winter de kachel uitgehaald en weer ingelegd worden. De levering van het aanmaakhout hoorde daar ook nog bij. ‘s Morgens moest een half uur, voordat de heren ambtenaren per motor of per fiets verkleumd op het werk verschenen, de kachel worden aangemaakt en als die door het vaak natte hout niet door wilde branden, was er van naar huis gaan geen sprake. Het schoonhouden van twee kachels – een op de sekretarie, waar ook de sekretaris zetelde, en een op de burgemeesterskamer – was geen kleinigheid, want er werd wat afgeknoeid door het ondeskundige kachelpersoneel. In de oorlog waren er weinig kolen en moest er ook hout bij gestookt worden. Dat werd door de gemeentewerkers per fietskarretje aangevoerd en achter de kachel opgestapeld om te drogen. Huisvrouwen zullen ten volle de gevolgen hiervan onderkennen.

Pas enkele jaren na de oorlog ging het salaris omhoog naar f 150,- per jaar en leverde de gemeente ook zelf het aanmaakhout, dat de schoonmaakster echter nog wel zelf kort moest hakken. Bij de verhuizing naar het nieuwe gemeentehuis schafte Riekske van Heumen, die tot dan toe tegenover het gemeentehuis woonde, in 1955 een nieuwe fiets aan om daarmee dagelijks op en neer te gaan. Alleen bij sneeuw of gladheid nam zij geen risico en ging te voet. Met het kachelhout was het afgelopen, maar de aanvankelijk met kolen gestookte verwarming was ook niet zonder problemen wat het stof betreft en stof is nu eenmaal de grootste vijand van de huisvrouw. Wel was er inmiddels een stofzuiger, een zwabber en veel chemisch spul aan de attributen toegevoegd om het werk in het grotere gebouw te vergemakkelijken, maar de stofdoeken werden nog altijd meegebracht. En warm water moest af en toe maar bij de bewoners boven het gemeentehuis worden gehaald. Toen er gevraagd werd welk loon zij moest verdienen meende ze toch wel het dubbele van het oude gemeentehuis te mogen hebben n.l. f 300,-, maar meer durfde ze ook niet te vragen. Geleidelijk aan is dit echter wel gestegen, ook al omdat in 1966 het gehele gebouw als gemeentehuis in gebruik werd genomen. Ze kon echter pas in rijkdom gaan leven, toen ze in september 1973 met pensioen ging. Ze kreeg toen meer aan AOW en een klein pensioentje dan ze ooit had verdiend. Met haar 75 jaren leeft ze nu nog in een bejaardenwoning in ongekende weelde en. van al wat ze weet van de gemeente en van het vele personeel, dat ze heeft gekend, zou een boek te schrijven zijn.